Straet & Vaert – uitgave 2020

Veenbank bij natuurbouwproject Grote Bodem. Door het wegspoelen van de zandige ondergrond staken de randen van de veenbank enige decimeters uit, waarna ze afbraken.
Foto: Ger Verschuren, 1988.

Ten geleide

Met voldoening presenteren we de veertigste editie van jaarboek Straet & Vaert. Sinds het verschijnen van het eerste boek in 1981 tot en met deze uitgave zijn 5.012 bedrukte pagina’s tot stand gekomen, die de neerslag vormen van 335 gevarieerde artikelen van de hand van 84 auteurs. (Bij de telling van het aantal artikelen zijn de themaboeken 1994 en 2007 niet meegerekend, geschreven respectievelijk door Cees Pijnenburg en door Jan van Iersel en Jan Vera.) Zij behandelden vele thema’s uit het verleden van de drie kerkdorpen Loon op Zand, Kaatsheuvel en De Moer en hun bevolking, aldus voortbouwend op het onderzoek en de publicaties van Pieter van Beers (1898-1959), de grondlegger van de Loonse heemkundebeoefening, en de andere schrijvende vorsers van de lokale historie en het streekeigen die hen voorgingen. Het predicaat grondlegger van Straet & Vaert komt toe aan Jos Kerkhof (1944-1996). Het idee om een jaarboek uit te geven met artikelen over ons heem ontsproot in zijn brein en hij was ook de hoofdredacteur van de eerste tien jaarboeken. En nu zijn we bijna vier decennia verder. Het bestuur van heemkundekring Loon op ’t Sandt en de redactie van Straet & Vaert willen dan ook met gepaste trots (even) stilstaan bij het realiseren van deze serie van veertig jaarboeken.

Het jaarboek opent met een doorwrocht onderzoek naar de landschapsontwikkeling in onze gemeente. Dit jaar is het vierhonderd jaar geleden dat Maria van Renesse, vrouwe van Venloon, een stuk grond van iets meer dan acht hectare uitgaf aan Jan Kennekens om te ontginnen tot landbouwgrond. Het perceel lag op de hoek van de Zijstraat en de Middelstraat in De Moer waar nu de kerk staat. Met deze uitgifte werd de basis gelegd voor het kerkdorp De Moer zoals we dat nu kennen. Het vierhonderdjarig bestaan van het dorp is voor Ger Verschuren aanleiding geweest om de geschiedenis van De Moer en zijn moer te beschrijven.
De eerste periode gaat over het ontstaan van het Loonse moer vanaf het eind van de laatste ijstijd tot ongeveer 1200. In dit veengebied ontwikkelden zich heuveltjes, meertjes en moerloopjes die aan de basis lagen voor de grens van de heerlijkheid Venloon en de latere verkaveling van het veen. De tweede periode omvat de tijdspanne 1200 tot 1620 en beschrijft de wijze waarop het veen werd ontsloten. De schier eindeloze en boomloze moervlakte noodzaakte de landmeters systematisch te werk te gaan bij de ontsluiting van het gebied. Met scherpe, rechte lijnen tekenden zij het landschap met putten, kaatjes en dijkjes, riolen en leikes (sloten) en ten slotte ook moerdijken en turfvaarten. Deze laatste maakten het mogelijk de turf uit het moer te winnen, waarmee de stad ’s-Hertogenbosch van de noodzakelijke brandstof werd voorzien. Tussen 1400 en 1620 is door dit gebruik het Loonse moer vrijwel geheel in vlammen op gegaan. Om profijt te kunnen blijven hebben van de grond die zij van de hertog van Brabant in leen hielden, begonnen de heren en vrouwen van Loon vanaf ongeveer 1600 met het grootschalig uitgeven van deze grond voor landbouwontginning. De beschrijving van de ontginning van De Moer over de periode 1620 tot 1832 is in voorbereiding.

Eeuwenlang heeft er in de zuidoosthoek van de heerlijkheid Loon op Zand, dichtbij het huidige Moleneind en ten noorden van ‘de Grind’, een molen gestaan. Zeer waarschijnlijk was het heer Paulus van Haastrecht die in 1392 de opdracht gaf om op deze plaats een molen op te richten. Begin achttiende eeuw was deze zogenaamde Oude Loonse Molen aan vervanging toe. Het bestek van de nieuwe standerdmolen bevindt zich in het heerlijkheidsarchief. Het is zeer gedetailleerd en van maten voorzien, zodat Huib Timmermans er een reconstructietekening van kon maken. Hij vertelt over de constructie van dit type molen en geeft aan dat er vele gegevens van alle drie de molens binnen de heerlijkheidsgrenzen (de Oude Loonse, de Hilse en de Mariëndaalse) zijn bewaard gebleven in de vorm van pachtcontracten, taxaties en onderhoudsstukken. Het laatste gedeelte van dit artikel is gewijd aan het malen van eikenschors ten behoeve van de leerlooierijen. Dit was een veelvoorkomende industrie in onze regio en ook de Oude Molen was uitgerust met een koppel schorsstenen. De Oude Loonse Molen werd in 1897 verkocht en afgebroken.

Meer dan eens is in Straet & Vaert aandacht besteed aan het gilde St. Ambrosius, onder meer in 1984 over de oorsprong en in 2010 over de katholiciteit van dit gilde. Als bron is daarbij steeds gebruik gemaakt van het gildeboek van St. Ambrosius. Voor het artikel ‘De oprichting van het Ambrosiusgilde’ hebben Jan van Iersel en Jan Vera ook onderzoek gedaan in de overheidsarchieven in Den Bosch en Den Haag. Dit heeft nieuwe informatie opgeleverd, niet alleen over de oprichtingsgeschiedenis van het gilde, maar ook over de strijd om de macht in de heerlijkheid Loon op Zand tussen de heer (de familie Van Salm-Salm) en de Raad van State die destijds namens de Staten-Generaal in Staats-Brabant de landsregering vertegenwoordigde. Interessant hierbij zijn de rollen van de beide hoofdrolspelers: rentmeester Jan Baptist Verheyen, optredend namens het huis Van Salm-Salm, en de Kaatsheuvelse landbouwer en bijenhandelaar Judocus Couwenberg als vertegenwoordiger van de bijenhouders. Het onderzoek heeft bevestigd dat niet rentmeester Verheyen, zoals in het gildeboek staat, maar Couwenberg het Ambrosiusgilde heeft opgericht als belangenvereniging van de plaatselijke bijenhouders.

Aansluitend op dit artikel volgt onder de titel ‘Drama onder de schietboom’ het verhaal over een schietongeluk dat plaatsvond op dinsdagavond 29 augustus 1899 bij een oefenwedstrijd achter herberg de ‘Finantie’ van Martinus Berends aan de Kasteellaan. Het verslag van dit drama bevestigt nog eens dat de schietsport altijd met risico’s gepaard gaat, met andere woorden: een ongeluk zit in een klein hoekje. Slachtoffer was een toeschouwer, de 22-jarige Jan de Laat. Zowel voor de Rechtbank in Den Bosch als in hoger beroep bij het Gerechtshof werd de schutter vrijgesproken.

Anton van der Lee kreeg de uitgetypte dagboekaantekeningen in handen die de beheerder/boswachter van het landgoed Huis ter Heide, Jup Verboven (1904-1983), op papier stelde van alles wat zich rond Huis ter Heide aan oorlogshandelingen had afgespeeld vanaf Dolle Dinsdag (5 september 1944) tot 31 maart 1945 en de gevolgen daarvan voor het landgoed, voor hemzelf en voor zijn gezin. De bossen van het landgoed hadden zwaar te lijden, omdat de Duitsers veel hout vorderden voor oorlogsdoeleinden en de burgers veel hout stalen. Een heftig voorval op 3 oktober 1944 was het neerschieten van twee Duitsers en het verwonden van een derde dichtbij Huis ter Heide door leden van een verzetsgroep. Als represaille dreigden de Duitsers twintig mannen te fusilleren, naast beheerder Verboven alle gezinshoofden van het Kraanven. Gelukkig kon dit onheil worden afgewend. Tijdens de hevige bevrijdingsdagen werd het huis beschadigd, raakte Verboven zijn gezin enige tijd kwijt en diende tot overmaat van ramp ook de verwachte gezinsuitbreiding zich aan. Tijdens de maanden na de bevrijding registreerde Verboven een aantal inslagen van V1’s, de gevreesde vliegende bommen van de Duitsers. Verbovens verslaglegging is een nuttige bijdrage aan de geschiedschrijving van deze streek.

Deze jubileumeditie sluit met een fotoreportage van de verdwenen panden van Brands in de Weteringstraat. De foto’s werden gemaakt door Kees Stadhouders en de begeleidende tekst werd verzorgd door Erik Gelevert.