Straet & Vaert – uitgave 2021

Het interieur van de schuilkelder op het Kraanven. Foto: Evelien IJpelaar.

Ten geleide

Deze eenenveertigste editie van het jaarboek Straet & Vaert bevat zes geïllustreerde artikelen.

In dit jaarboek rondt Ger Verschuren zijn onderzoek naar de moeren van Loon af. In Straet & Vaert 2020 ging hij uitgebreid in op het Loonse moer (het ecosysteem van voor 1200) en het moer van Loon (de turfwinning tussen 1400 tot 1620). Dit laatste deel gaat over het ontstaan van De (Loonse) Moer na 1620. Deze drie belangrijke perioden in de historie van het dorp – ecosysteem, brandstof en dorp – komen samen in de hoofdtitel die de auteur aan zijn onderzoek heeft gegeven: De moeren van Loon. In de beschrijving van deze laatste periode wordt de ontginning van De Moer vanaf de eerste spade in de grond in 1620 tot aan de invoering van het kadaster in 1832 (en soms nog iets later) gevolgd. We zien dat de ontginning vrijwel geheel plaatsvond na de uitgifte door de heer van Loon van de uitgemoerde gronden. De uitgegeven percelen lagen alle opgesloten binnen de landschapsstructuur die was ontstaan bij het afgraven van het veen en het afvoeren van de turf. Anderzijds bleef de ligging van de oude moerdijken en vaarten door deze ontginningen nog lang herkenbaar. Ook wordt zichtbaar gemaakt waar deze infrastructuur is gewijzigd en waar die nog steeds is te zien. De ontginning van de moergronden vond plaats binnen de landbouwkavels, die hier steden worden genoemd. Deze waren eveneens goed herkenbaar en bleven vaak in handen van dezelfde familie. Omdat er nog geen kadastraal systeem van grondregistratie was en er in De Moer nauwelijks sprake was van specifieke namen voor de steden en landerijen (toponiemen), was de familiegeschiedenis (genealogie) een belangrijk handvat om de percelen te kunnen onderscheiden. Er passeren dan ook vele familienamen de revue waarvan er veel als echt Moers kunnen worden beschouwd en die voor een deel ook in De Moer zijn ontstaan, zoals Kennekens en Sup. Bijzondere gebeurtenissen die een rol hebben gespeeld bij de verdeling, de vervreemding of het tijdstip van ontginning van de steden zijn aan het verhaal toegevoegd. Ten slotte konden ook de twee eerste herbergen/kroegen worden gelokaliseerd en gedateerd. De vele gegevens die werden verzameld, zijn samengevoegd in een tabel waarmee de ontginningsgeschiedenis van De Moer is beschreven.

Vught bezit al zo’n duizend jaar twee parochiekerken. De oudste is vrijwel zeker de Sint-Lambertuskerk. Het huidige gebouw – alleen het koor en de toren staan nog – is een stuk jonger, maar de parochie is dus oud. Rond 1270 kwamen deze kerk en parochie in handen van de Duitse Orde, een geestelijke ridderorde die was ontstaan tijdens de Kruistochten en die veel aanzien genoot onder de Europese adel. In 1405 en in 1407 werden twee stukken moer nabij de Duikse Hoef geschonken aan de Sint-Lambertuskerk in Vught. In 1410 verkocht Elsebeen van Dalem, weduwe van Paulus I van Haastrecht, een perceel moer (met de ondergrond) aan de Sint-Lambertuskerk. Dit lag westelijk langs de huidige Pastoor Kampstraat in De Moer. Een jaar eerder had Elsebeen ook al een perceel moer geschonken en daarmee missen gesticht ten behoeve van het zielenheil van haar overleden man, vrienden en familieleden. Lauran Toorians zet de gegevens op een rij.

In de heerlijkheid Loon op Zand hadden de gereformeerden tot het einde van de achttiende eeuw de beschikking over de grote Loonse parochiekerk, dit tot groot verdriet van de grotendeels katholieke bevolking. De katholieken moesten zich behelpen met twee kleine schuurkerken: een achter het Loonse kasteel en een in Kaatsheuvel. Beide schuurkerken vielen onder het katholieke kerkbestuur in Loon op Zand, waar de pastoor en zijn kapelaan woonden. Hoewel de katholieke bevolking van Kaatsheuvel tweemaal zo groot was, vond de kerkelijke bediening dus vanuit het kleinere Loon plaats. Dat het grote en uitgestrekte Kaatsheuvel op deze manier met geen mogelijkheid naar behoren kon worden bediend, werd steeds meer duidelijk. Men wilde in Kaatsheuvel dan ook graag een eigen pastoor en kapelaan. Jan van Iersel beschrijft de moeilijke weg naar afscheiding van de parochie Loon op Zand en zelfstandigheid voor de Kaatsheuvelse katholieke geloofsgemeenschap.

In Straet & Vaert 1996 besprak Erik Gelevert de bijzondere geschiedenis van jhr. Alexander Verheyen en het merkwaardige project dat hij begin twintigste eeuw in Loon op Zand trachtte te realiseren: de bouw van een kasteel in middeleeuwse trant. In deze jaarboekuitgave leverde de markante jonkheer weer stof voor een artikel. In augustus 1899, twee jaar na zijn komst naar het dorp, kwam jonker Alexander in opspraak. Hij werd namelijk betrapt tijdens het vernielen van een prikkeldraadafscheiding die eigendom was van zijn neef, jhr. mr. Eugène Verheyen. Het kwam in oktober 1899 tot een rechtszaak, tijdens welke zijn partner Blanche Marie Vilain en de schoenmaker Adriaan van den Nieuwenhuizen een valse verklaring aflegden. Beiden werden daarop aangeklaagd wegens meineed en beiden werden zowel door de arrondissementsrechtbank te ’s-Hertogenbosch als in hoger beroep door het gerechtshof aldaar veroordeeld tot een maandenlange gevangenisstraf. Zo kreeg het plegen van een betrekkelijk klein delict dus grote gevolgen. Blanche Marie Vilain was al direct na haar meinedige verklaring in preventieve hechtenis genomen, zodat de doofstomme jonkheer zijn steun en toeverlaat lange tijd moest missen. Toch wilden zij hun voornemen om in het huwelijk te treden doorzetten en daarom vroegen zij aan de minister van Justitie toestemming om in de gevangenis te mogen trouwen. Die weigerde, zodat het huwelijk pas kon worden gesloten nadat de bruid in juni 1900 haar straf had uitgezeten. Jhr. Alexander zelf kwam er overigens met een geldboete vanaf. De geruchtmakende processen, waarover de kranten uitgebreid berichtten, worden gedetailleerd beschreven en we komen ook meer te weten over het bijzondere paar Verheyen-Vilain.

Met het historisch onderzoek van De Moer door Ger Verschuren kwamen veel gebeurtenissen, door hem genoemd ‘bijvangsten’, boven water die niet goed pasten in het doel dat hij zich had gesteld, namelijk het geven van een historisch-geografische beschrijving van het dorp. Een van deze bijvangsten was de beschrijving van een stede aan de noordzijde van Paalstraat, waarop in 1908 een pot met zilveren munten werd gevonden. De geschiedenis van deze ‘schat van De Moer’ was in 1981 het onderwerp van het allereerste artikel in de allereerste uitgave van Straet & Vaert. Het bleek dat de familie die deze pot volgens dit artikel zou hebben begraven en de locatie waar deze werd opgegraven, niet met elkaar in verband konden worden gebracht. Daarom geeft Ger Verschuren hier een herziening van de geschiedenis van deze schatvondst, die eindigt met het droeve relaas van een Moerse jongen in Franse krijgsdienst.

Toen begin 2020 duidelijk werd dat de nieuwe hoogspanningsleiding van Borssele naar Tilburg over de Kraanvense Berg en het meest westelijke deel van Kraanven dreigde te komen, werd actie ondernomen om het verantwoordelijke bedrijf, Tennet, op andere gedachten te brengen. Daarbij werd ook een gemetselde kelder die zich hier in een duin bevindt in de strijd geworpen. Een schuilkelder uit de Tweede Wereldoorlog en daarmee behoudenswaardig was de boodschap. Lauran Toorians schreef een cultuurhistorisch rapport dat samen met een bouwhistorisch rapport als ‘Redengevende omschrijving met waardestelling’ werd ingediend en uiteindelijk ook tot het gewenste effect heeft geleid. Dat de kelder tijdens de Tweede Wereldoorlog is gebouwd, is duidelijk, maar wat daar precies de bedoeling van is geweest, blijft lastig vast te stellen. Waardevoller is de Kraanvense Berg zelf, de langgerekte zandwal die de akkers van Kraanven beschermde tegen het stuifzand en die naast de natuurwaarden die hij bezit ook belangrijk is als cultureel erfgoed dat laat zien hoe de boeren in het verleden de strijd tegen het stuifzand wisten te winnen.

Redactie